026. Bijbelstudie over

G’DS VOLK - AM HA’ELOHIM

,yhvlah ,i

 

 

Wie is G’ds volk? Eeuwenlang ging men er vanzelfsprekend van uit dat dit niet meer het volk Israël zou zijn, maar de Gemeente van Jezus Christus, de Kerk uit de heidenen, en men dacht dit met Romeinen 9 en 10 te kunnen aantonen. Maar is dit echt zo? Laten we deze teksten eens lezen en kijken wat Sha’ul, die ook Paulus genoemd wordt, precies geschreven heeft: “Ik spreek de waarheid in de Mashiach, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door Ruach haQodesh [de Heilige Geest]: ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. Want zelf zou ik wel wensen van de Mashiach verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees; immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Mashiach, die is boven alles, G’d, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen. Maar het is niet mogelijk, dat het woord G’ds zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Av’raham [Abraham] zijn, maar: ‘Door Yitz’chaq [Isaak] zal men van nageslacht van u spreken.’ Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen G’ds, maar de kinderen der belofte gelden voor nageslacht. Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben. Maar dit niet alleen; daar is ook Riv’qa [Rebekka], bevrucht van één man, onze vader Yitz’chaq. Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan - opdat het verkiezend voornemen G’ds zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep, - werd tot haar gezegd: De oudste zal de jongste dienstbaar zijn, gelijk geschreven staat: Ya’aqov [Jakob] heb Ik liefgehad, maar Esav [Esau] heb Ik gehaat. Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij G’d? Chalila! [volstrekt niet!] Want Hij zegt tot Moshe [Mozes]: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn. Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van G’d, die Zich ontfermt. Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u Mijn kracht zou tonen en Mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde. Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat Zijn wil? Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij G’d zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik? En als G’d nu, Zijn toorn willende tonen en Zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft - juist om de rijkdom Zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, gelijk Hij ook bij Hoshea [Hosea] zegt: ‘Ik zal Lo-Ami [niet-Mijn-volk] noemen: Ami [Mijn-volk], en Lo-Ruchama [de niet-geliefde]: Ruchama [geliefde]. En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd was: Lo-Ami Atem [gij zijt Mijn volk niet], daar zullen zij genoemd worden: B’nei El-Chai [zonen van de levende G’d].’ En Yeshayahu [Jesaja] roept over Israël uit: ‘Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, het overschot zal behouden worden; want wat Hij gesproken heeft, zal de Eeuwige doen op de aarde, volledig en snel.’ En gelijk Yeshayahu tevoren gezegd had: ‘Indien Adonai Tz’vaot ons geen zaad overgelaten had, als Sodom zouden wij geworden zijn en aan Gomorra zouden wij gelijk gemaakt zijn. Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is; doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, gelijk geschreven staat: ‘Zie, Ik leg in Tzion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.” (Romeinen 9:1-33). “Maar niet allen hebben aan het evangelie gehoor gegeven. Want Yeshayahu zegt: Adonai, wie heeft geloofd wat hij van ons hoorde? Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van de Mashiach. Maar ik vraag: hebben zij het dan niet gehoord? Zeer zeker: Over de ganse aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden der wereld hun woorden. Maar ik vraag: heeft Israël het dan niet verstaan? Vooreerst zegt Moshe: Ik zal u naijverig maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk. En Yeshayahu waagt het te zeggen: Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen. Maar van Israël zegt hij: De ganse dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk!” (Romeinen 10:16-21). - Door de eeuwen heen hebben de hoofdstukken 9 en 10 tot verschillende extreme opvattingen geleid, want zoals ik reeds bij de inleiding heb gezegd lezen de voorstanders van de vervangingsleer hierin dat de Gemeente ofwel de Kerk, die zij het geestelijke Israël noemen, in de plaats van het natuurlijke Israël gekomen zou zijn, dat volgens hen collectief door G’d verworpen en verloren is, maar anderen gaan de precies tegengestelde richting op en verklaren juist dat geheel Israël behouden zou zijn zonder tot het ware geloof te hoeven komen. Beide verklaringen zijn tegengestelden van elkaar, beiden zijn extreem en beiden zijn fout! En toch zijn beide opvattingen binnen de Reformatorische en Evangelische kringen ruim vertegenwoordigd. Laten we daarom eens nauwkeurig vers voor vers in de nieuwe vertaling kijken naar wat Sha’ul ons daarin leert over Israël en dan zult u zien dat het ongelovige deel van Israël beslist niet behouden zal zijn, maar dat het gelovige deel van Israël daarentegen ook niet vervangen is door de Kerk. Laten we beginnen bij de eerste twee verzen van hoofdstuk 9:

 

Vers 1 en 2: “Omdat ik één ben met de Mashiach spreek ik de waarheid, en mijn geweten, geleid door Ruach haQodesh [de Heilige Geest], is mijn getuige dat ik niet lieg: ik ben diepbedroefd en word voortdurend door verdriet gekweld.”

 

Velen zijn van mening, dat Paulus zo verdrietig was omdat zijn eigen volk door G’d verworpen zou zijn en slechts een enkeling zoals hijzelf behouden zou worden door zich aan te sluiten bij de Kerk, het nieuwe uitverkoren volk, terwijl Israël als natie voorgoed verloren zou zijn. Vandaar zijn verdriet. Maar deze opvatting klopt niet, want de Eeuwige heeft Israël als uitverkoren volk helemaal niet verworpen en dat zal Hij ook in de toekomst nooit doen, hetgeen in a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 12:22 plechtig beloofd is: “De Eeuwige zal Zijn volk niet verwerpen omwille van Zijn grote naam, want Hij heeft besloten van u Zijn volk te maken!” (Willibrord-vertaling). Integendeel! In b lavm> Sh’mu’el bet [2 Samuël] 7:24 wordt nadrukkelijk verklaard dat Israël voor eeuwig G’ds volk zal zijn: “U hebt Uw volk Israël voor altijd aan U toegewijd, en U, Eeuwige, bent hun tot G’d!” U ziet dus dat Sha’ul geen enkele reden had om zich zorgen te maken over het geestelijk welzijn van zijn volk als natie, maar waar hij zich wel druk om maakte en veel verdriet om had waren de talrijke volksgenoten van hem, die door hun ongeloof verloren zullen gaan, en dat komt juist in het volgende vers duidelijk naar voren:

 

Vers 3: “Omwille van mijn volksgenoten, de broeders en zusters met wie ik mijn afkomst deel, zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van de Mashiach gescheiden te zijn;”

 

Op de website van ‘goedbericht.nl’ kwam ik in verband met dit vers de volgende stelling tegen: “In Romeinen 9 vers 2 en 3 vinden we de volgende merkwaardige opmerking van Paulus: ‘Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees.’ Hoe kon Paulus dit nu schrijven? Had hij zojuist niet gejubeld dat NIETS hem kon ‘scheiden van de liefde G’ds, welke is in Christus Jezus’? Vanwaar dan deze wens? Bovendien: is Romeinen 9 niet het Bijbelhoofdstuk bij uitstek dat laat zien dat redding geen mensenwerk is? Hoe kon Paulus dan door verbanning van Christus iets denken toe te voegen aan Israëls redding? Is dit niet ongerijmd? Het verrassende antwoord op deze vragen is gelegen in een correcte weergave van dit Bijbelgedeelte. Vanuit het Grieks weten we dat Paulus niet schreef: ‘want zelf zou ik wel wensen...’, maar: ‘ik wenste...’. Verleden tijd. Dat maakt een heel groot verschil! De gedachte is deze. Paulus had een voortdurend hartzeer ten behoeve van zijn broeders naar het vlees. Hoezo? Wel, ooit wenste hijzelf van Christus verbannen te zijn, zoals zijn verwanten dat nog steeds wensen. Ooit was de naam van Christus ook voor hem een vloek. Paulus kende de toestand van de meerderheid van het Jodendom uit eigen ervaring. In deze tussengevoegde vermelding klinkt Paulus eigen bittere herinnering door. Maar tevens klinkt hierin hoop door voor zijn geliefde verwanten. Want als het goed kon komen met hém, dan kan het ook goed komen met Israël! Zeker, hier is dit nog slechts een suggestie... maar twee hoofdstukken later is dit veranderd in een groot uitroepteken! De eerste verzen van Romeinen 9 dienen we dus op de volgende mannier te lezen: ‘Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer, want ikzélf wenste van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees...’” (http://www.goedbericht.nl/NT/Romeinen/9-verbannen.html). Op het eerste gezicht lijkt deze uitleg best wel aannemelijk, maar bij nader bestuderen van de grondtekst blijkt het toch niet te kloppen:

 

hucomhn gar autoV  egw anaJema  einai autoV egw apo tou Cristou uper ton adeljwn mou

twu suggenwn mou kata sarka

ēuchomēn gar autos egō anathema einai autos egō apo tou Christou huper tōn adelphōn mou tōn suggenōn mou kata sarka

Letterlijke vertaling: “Zou bidden namelijk zelf ik vervloeking zijn weg van Christus ten behoeve van de broeders van mij de verwanten van mij naar het vlees”

 

Een uitleg, die ik in de Studiebijbel heb gevonden, lijkt mij daarom een stuk aannemelijker: “De imperfectumvorm ēuchomēn (ik bad, ik wenste) kan op tweeërlei wijze gelezen worden: ’ik zou wel wensen’ of ’ik zou wel willen bidden (als dat mogelijk was)’. Vanuit zijn bewogenheid en liefde voor zijn volk zou Paulus, evenals Mozes in Exodus 32:32, willen bidden om in plaats van het volk uit G'ds boek uitgedelgd te worden. Een dergelijk gebed wordt natuurlijk niet verhoord. Anathema (vervloeking) is hier vermoedelijk een weergave van het Hebreeuwse cherem (ban, gebannene). Bij ’mijn broeders’ is voor de duidelijkheid toegevoegd kata sarka (naar het vlees, hetgeen hier inhoudt ’volgens natuurlijke volksverwantschap’); het gaat hier namelijk niet om de ‘broeders in Christus’, maar om Paulus' volksgenoten, de Joden. Het feit dat Sha’ul zo een pijn voelt bij de gedachte dat velen van zijn volksgenoten voor eeuwig verloren zullen gaan toont aan dat hij beslist geen grieksdenkende christen is geworden, maar met hart en ziel een echte messiasbelijdende Jood was met een diepe bewogenheid voor zijn eigen volk.

 

Vers 4: “omwille van hen, de Israëlieten, die G’d als Zijn kinderen heeft aangenomen en aan wie Hij Zijn nabijheid, de verbonden, de Tora, de tempeldienst en de beloften heeft geschonken;”

 

Dit vers begint in de NBG-vertaling met de woorden:  “Immers, zij zijn Israëlieten…” Eigenlijk moet daar een dikke uitroepteken achter, want wat Sha’ul daarmee wil benadrukken is: Ze zijn niet zomaar een volk, ze zijn en blijven G’ds volk! Besef dat goed! Wij hoeven geen theologie gestudeerd te hebben om te beseffen dat Sha’ul de hele TeNaCH [Hebreeuwse Bijbel] betrekt in zijn verklaring omtrent Israël als zijnde G’ds volk. De aanneming tot zonen, de Shechina [heerlijkheid], de verbonden (meervoud!), de wetgeving, de eredienst en de vele beloften behoren nog steeds toe aan Israël en niet aan de Kerk uit de heidenen. Als wij de strekking van vers 4 niet verstaan, zullen wij nooit de rest van Bijbel begrijpen. Het voorecht om in de tegenwoordigheid van de Eeuwige te mogen komen en in Zijn Shechina [heerlijkheid] te vertoeven was alleen aan Israël gegeven. De wolk begeleide Israël overdag tijdens hun tocht door de woestijn, en het vuur in de nacht. Dezelfde wolk van Zijn Shechina heeft eerst de Mish’kan [Tabernakel] gevuld en later ook Beit-haMiq’dash [de Tempel]. Sha’ul schrijft verder dat ook de verbonden aan Israël toebehoren, en dat zijn zowel de verbonden in de TeNaCH zoals het verbond met Av’raham, Yitz’chaq en Ya’aqov, het verbond met Moshe en het verbond met David, alsook het Nieuwe Verbond in Zijn bloed, dat Yeshua met het Huis van Israël en het Huis van Juda gesloten: “Zie, de dagen komen, luidt het woord van Adonai, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een Nieuw Verbond sluiten zal. Niet zoals het Verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik Heer over hen ben, luidt het woord van Adonai. Maar dit is het Verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord van Adonai: Ik zal Mijn Tora in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een G’d zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 31:31-34). Sha’ul schrijft, dat de Eeuwige ook Zijn Tora aan Israël heeft geschonken, zoals ook in ,ylht Tehilim [Psalmen] 147:19-20 geschreven staat: “Hij maakt Zijn woorden aan Ya’aqov bekend, Zijn wetten en voorschriften aan Israël. Met geen ander volk heeft Hij zich zo verbonden, met Zijn wetten zijn zij niet vertrouwd!” De eredienst of wijze van aanbidding in de Mish’kan [Tabernakel] die aan Israël in de woestijn gegeven was, werd later te Yerushalayim [Jeruzalem] in Beit-haMiq’dash [de Tempel] voortgezet. Sha’ul had het ook over de beloften die aan Israël gegeven werden. Deze beloften begonnen met de roeping van Av’raham, gaan door de gehele geschiedenis van Israël heen tot de wederkomst van de Mashiach, het Messiaanse vrederijk en uiteindelijk het herstelde Paradijs op de nieuwe aarde, beloften die strekken vanaf Genesis tot aan Openbaring.

 

Vers 5: “omwille van het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit de Mashiach is voortgekomen. G’d, die boven alles verheven is, zij geprezen tot in eeuwigheid! Amen.”

 

In de hier geciteerde nieuwe vertaling staat de volgende voetnoot: “Ook mogelijk is de vertaling: “en waaruit de Mashiach is voortgekomen - Hij die G’d is, die boven alles verheven is en geprezen zij tot in eeuwigheid!” - Wel, of men de ene of de andere vertaling neemt maakt nogal een groot verschil, want afhankelijk waar een komma of een punt geplaatst wordt getuigt deze tekst namelijk in de ene vertaling dat Yeshua de Eeuwige zelf is, en in de andere niet. Het spreekt voor zich dat de Nieuwe wereldvertaling van het Wachttorengenootschap voor dat laatste kiest: “…en uit wie Christus is gesproten naar het vlees: G’d, die boven allen is, zij gezegend in eeuwigheid.” De Groot Nieuws Bijbel daarentegen vertaalt het op dezelfde wijze als de voetnoot in de NBV aangeeft: “ze stammen af van de aartsvaders en als mens behoort Christus tot hun geslacht, Hij die G’d is, boven alles verheven en te prijzen voor altijd! Amen.” Ook de Willibrord-vertaling kiest voor deze versie: “van hen zijn de aartsvaders en uit hen komt Christus lijfelijk voort, Hij die G’d is, boven alles verheven en geprezen tot in eeuwigheid! Amen.” - Welke vertaling is juist? Laten we even naar de grondtekst kijken:

 

wn oi patereV kai ex wn o CristoV to kata sarka o wn epi pantwn JeoV euloghtoV eiV touV

aiwnaV amhn

hōn hoi pateres kai ex hōn ho Christos to kata sarka ho ōn epi pantōn Theos eulogētos eis tous aiōnas amēn

Letterlijke vertaling: “Van wie de vaderen en uit wie de Christus het naar vlees de zijnde over alles G'd geloofd tot in de eeuwigheden amen”

 

Wel, hier zien we helemaal geen punt of komma staan, dus daar schieten we niet zo veel mee op, want het ontbreken hiervan geeft ruimte voor beide vertaalmogelijkheden. Gelukkig kunnen wij voor een betere analyse van deze tekst ook nog de Studiebijbel raadplegen. Daarin lezen wij de volgende uitleg van vers 5: “De opsomming van voorrechten van het Joodse volk wordt afgesloten met een climax: Jezus Christus, de Here, behoort immers tot het volk Israël! Daarvoor noemt Paulus nog 'de vaderen'. Bedoeld worden de aartsvaders Abraham, Isaäk en Jacob. G’d verbond Zijn naam aan hun namen (Ex 3:13; 4:5). Aan hen gaf G'd Zijn beloften en in Christus worden deze beloften vervuld. Aangezien Christus 'uit hen', d.w.z. uit het volk der Joden afkomstig is, wordt het volk Israël vanaf het begin (Abraham) tot het einde van de geschiedenis (Christus) betrokken in G'ds beloften en in Zijn heilsplan. Zorgvuldig voegt Paulus toe: to kata sarka (wat het vlees betreft; wat Zijn menselijke natuur betreft, stamt Jezus Christus uit het volk Israël. De nu volgende woorden worden in de diverse vertalingen verschillend vertaald; dit hangt samen met het feit, dat in de oudste handschriften punten en komma's ontbreken. De vraag is, of het hier gaat om een lofprijzing aan G'd de vader ('geprezen zij G'd tot in de eeuwigheid'; vgl. 1:25; 2 Kor 11:31), of om een lofprijzing aan de Christus ('Christus, welke is G'd boven alles, geprezen tot in eeuwigheid'; SV). Voor het eerste pleit misschien, dat Paulus nergens anders Christus rechtstreeks 'G'd' noemt. Voor het tweede pleit, dat de uitdrukking 'wat het vlees betreft' net als in 1:3 roept om een verklaring, wie of wat Christus dan wel is, wanneer het niet het vlees betreft. Paulus heeft de g'ddelijkheid van Jezus Christus elders voldoende betuigd (vgl. Fil 2:6), zodat we ons niet behoeven te verbazen, wanneer hij nu Christus 'G'd' noemt.” - Tot zover het commentaar van de Studiebijbel.

 

Vers 6: “G’d heeft Zijn belofte niet gebroken. Want niet alle Israëlieten behoren werkelijk tot Israël,”

 

Weet u, Israël is enerzijds een volk zoals elk ander volk, maar daarnaast of beter gezegd juist op de eerste plaats is Israël G’ds volk! Men kan als Jood geboren worden, maar daar verder niets mee doen. Dan is men etnisch gezien wel een Jood, maar leeft als een Goi. En zo iemand dan in Israël gaat wonen dan wordt hij Israëlisch staatsburger op grond van de wet op terugkeer als hij kan aantonen dat hij uit Joodse ouders geboren is. Dan behoort hij weliswaar tot Israël, maar dat wil nog niet zeggen dat hij ook geestelijk gezien tot Israël als zijnde G’ds volk behoort en in de beloften kan delen, want daarvoor moet hij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Alle in de Tora genoemde beloften van Adonai ten opzichte van Zijn volk Israël, waarover Sha’ul het in vers 4 had, zijn namelijk conditioneel en dus niet onvoorwaardelijk. Israël is en blijft weliswaar G’ds uitverkoren volk, maar dat geldt niet automatisch voor elke individuele Israëliet, laten we dat goed beseffen! Het was en is niet voldoende om het vleselijke zaad van Av’raham te zijn om de zegeningen van Adonai deel te worden. Het feit van de etnische afkomst alleen maakt een Israëliet nog niet tot een uitverkoren werktuig van Adonai, want daarvoor moeten namelijk al de voorwaarden die de Eeuwige daarvoor stelt, nauwkeurig worden nagekomen. Het niet nakomen van deze voorwaarden der beloften ontslaat de Eeuwige van de vervulling ervan ten opzichte van iedere individuele persoon die deel uitmaakt van Zijn volk. Degenen onder ons, die wekelijks de Parasha lezen, weten precies wat ik daarmee wil zeggen. Denk maar aan de Parasha xrq Qorach (rbdmb B’mid’bar [Numeri] 16:1-18:32), waarin wij lezen dat Qorach, Datan en Aviram samen met 250 vooraanstaande Levieten in één oogwenk door de Eeuwige gedood werden vanwege hun opstandigheid en g’ddeloosheid. Denk maar aan de Parasha qlb Balaq (rbdmb B’mid’bar [Numeri] 22:2-25:9), waarin op één dag 24.000 Israëlieten werden gedood omdat ze zich lieten verleiden tot afgoderij en hoererij. En iedereen kent ook het verhaal van het gouden kalf. Dit zijn slechts drie voorbeelden van velen waaruit blijkt dat het feit dat men een geboren Israëliet is nog geen garantie geeft dat men daardoor ook automatisch deel uitmaakt van het uitverkoren volk, want de Eeuwige zegt nadrukkelijk dat wie Zijn geboden en inzettingen niet naarstig onderhoudt, uitgeroeid zal worden uit het midden van Zijn volk. Een gelovige uit de volken daarentegen, een niet-jood die in Yeshua gelooft en ook de Tora naleeft, maakt in tegenstelling tot de ongelovige Israëliet wel deel uit van G’ds uitverkoren volk en mag derhalve delen in G’ds beloften voor Israël.

 

Vers 7: “niet alle nakomelingen van Av’raham [Abraham] zijn ook werkelijk zijn kinderen. Er staat immers geschreven: ‘Alleen de nakomelingen van Yitz’chaq [Isaak] zullen gelden als jouw nageslacht.’”

 

Niet voor alle lichamelijke nakomelingen van Av’raham geldt dat voor hen de belofte van Adonai van toepassing is, want in ty>arb B’reshit [Genesis] 17:19-21 (Willibrord-vertaling) zegt de Eeuwige tegen Av’raham: “Uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en u zult hem Yitz’chaq noemen. Met hem en met zijn nakomelingen zal Ik Mijn verbond sluiten, een altijddurend verbond. Maar ook uw verzoek betreffende Ish’ma’el verhoor Ik. Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaarheid geven en hem zeer talrijk maken. Twaalf vorsten zal hij verwekken en een groot volk zal Ik van hem maken. Maar Mijn verbond zal Ik sluiten met Yitz’chaq, die Sara het volgend jaar op deze tijd zal baren.” En in ty>arb B’reshit [Genesis] 21:12 (NBV) zegt de Eeuwige tegen Av’raham: “Je hoeft je niet bezwaard te voelen vanwege de jongen of je slavin. Alles wat Sara je vraagt moet je doen, want alleen de nakomelingen van Yitz’chaq zullen gelden als jouw nageslacht!” Hiermee wordt aangetoond dat slechts Israël G’ds uitverkoren volk zal zijn!

 

Vers 8: “Dat wil zeggen: ze zijn niet door hun natuurlijke afstamming kinderen van G’d, maar gelden als nageslacht van Av’raham op grond van G’ds belofte.

 

Met name op deze tekst is de vervangingsleer gebaseerd, want men denkt daarin te lezen dat de gelovige heidenen het geestelijke nageslacht van Av’raham zijn en dat de Kerk het “nieuwe Israël” of het “geestelijk Israël” geworden is, dat in de plaats van het “ongelovige, natuurlijke Israël” is gekomen. Om de vervangingsleer op grond van de Bijbel te poneren gebruiken zij het argument: Een ieder die gelooft in Jezus Christus is een zoon van Abraham”, want in Galaten 3:29 lezen wij: "Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen." Uit deze tekst blijkt dus volgens hen dat de ware kinderen van Av’raham dus niet gebonden zijn aan etnische afkomst, maar geestelijke kinderen van hem zijn. Wel, daar zet ik toch wel wat kanttekeningen bij. Door geloof kan inderdaad een ieder een zoon van Av’raham worden, dat klopt wel, maar dat sluit het fysieke zoonschap van het Joodse volk niet uit. Israël, dat wil zeggen het gelovige deel van de fysieke nakomelingen van Av’raham, Yitz’chaq en Ya’aqov, had, heeft en zal altijd een belangrijke plaats innemen in G’ds heilsplan, want Israël is nog steeds G’ds uitverkoren volk en dat zal het ook altijd blijven.

 

Vers 9: “Als íets een belofte is dan zijn het deze woorden: ‘Over een jaar kom Ik terug en dan heeft Sara een zoon.’”

 

Deze belofte aan Av’raham werd gegeven in ty>arb B’reshit [Genesis] 18:10-14. Sara hoorde dat één van de drie bezoekers bij de terebint dit tegen haar man zei en moest in zichzelf lachen omdat ze al een hoogbejaarde vrouw was en daarom wordt haar zoon ook Yitz’chaq genoemd, hetgeen betekent: ‘hij die lacht’. Normaal gesproken zou het toch echt onmogelijk geweest zijn dat een vrouw van 90 nog zou bevallen van een kind dat door een honderdjarige man verwekt zou zijn. Daarom schreef Sha’ul: “Als er iets een belofte is, dan is dit het wel!”

 

Vers 10 t/m 12: “Sterker nog, Riv’qa [Rebekka] was van onze vader Yitz’chaq [Isaak] zwanger van een tweeling, en al voor ze geboren waren en nog niets goeds of slechts hadden gedaan, werd haar gezegd: ‘De oudste zal de jongste dienen.’ G’ds besluit blijft namelijk van kracht: G’d kiest een mens niet uit op grond van zijn daden, maar omdat Hij hem roept.”

 

Sha’ul citeert hier ty>arb B’reshit [Genesis] 25:24. Bij de verkiezing van Ya’aqov, de jongste, boven Esav, de oudste, gaat het in de eerste plaats niet om een keuze tussen twee individuele personen, maar om de volken die uit hen zouden voortkomen, namelijk Israël en Edom. Daaruit blijkt, dat alleen het besluit van G’ds uitverkiezing geldt, onafhankelijk van menselijke daden, slechts afhankelijk van Hem die roept (vers 12, Willibrord-vertaling).

 

Vers 13: “Zo staat er ook geschreven: ‘Ya’aqov [Jakob] heb Ik liefgehad, Esav [Esau] heb Ik gehaat.’”

 

In ykalm Mal’achi [Maleachi] 1:2-5 lezen wij de woorden van Adonai, die Sha’ul hier citeert: "Ya’aqov heb Ik liefgehad, Esav heb ik gehaat!" G’d haatte Esav vanwege diens g’ddeloze levenshouding, en ook zijn nakomelingen, de Edomieten, omdat zij eeuwenlang doodsvijanden van Israël geweest waren. En toch ligt het accent in deze tekst niet op het haten van Esav, maar op het liefhebben van Ya’aqov. Daarom moeten we het woord ‘haten’ in deze context ook niet letterlijk nemen in de zin van ‘een hekel aan iemand hebben’, maar in de betekenis van het prioriteiten stellen, want in Lucas 14:26 gebruikt Yeshua in de NBG-vertaling het woord ‘haten’ in dezelfde betekenis: “Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.” Natuurlijk roept Yeshua ons niet op om wie dan ook te haten, want dat zou in strijd zijn met ]nxvy Yochanan [Johannes] 13:34, waarin Hij ons juist oproept om elkander lief te hebben. Het woord ‘haten’ moeten we dus in deze context niet zien als een in beginsel afwijzen van de ene, maar eerder als het uitverkiezen van de andere broer voor een speciale taak die de Eeuwige voor hem heeft weggelegd.

 

Vers 14 t/m 16: “Moeten we dan zeggen dat G’d onrechtvaardig is? Natuurlijk niet. Hij zegt immers tegen Moshe [Mozes]: ‘Ik ben barmhartig voor wie Ik barmhartig wil zijn, Ik schenk genade aan wie Ik genade wil schenken.’ Alles hangt dus af van G’d en Zijn barmhartigheid, niet van de wil of de inspanning van de mens.”

 

Met dit citaat uit tvm> Sh’mot [Exodus] 33:19 wil Sha’ul ons duidelijk maken dat Adonai nooit iemand uitkiest op grond van diens daden en het dus niet afhangt van de wil of de inspanning van de mensen, maar van de G’ds barmhartigheid.

 

Vers 17 en 18: “Zo zegt Hij volgens de Schrift tegen de farao: ‘Ik heb u alleen maar aangesteld om u Mijn macht te tonen en om iedereen op aarde te laten weten wie Ik ben.’ Dus G’d is barmhartig voor wie Hij wil en maakt halsstarrig wie Hij wil.”

 

Ook met het citeren van tvm> Sh’mot [Exodus] 9:16 wil Sha’ul ons uitleggen dat de Eeuwige Zich ontfermt over wie Hij wil, dat Hij medelijden heeft met wie Hij wil, maar dat Hij ook verhardt en halsstarrig maakt wie Hij wil. Hij is immers een soevereine G’d!

 

Vers 19: “Maar nu zult u vragen: ‘Waarom roept G’d ons dan nog ter verantwoording? Niemand gaat toch in tegen Zijn wil?’”

 

De verharding van de farao is voor velen een moeilijke tekst, want als G’d zelf volgens tvm> Sh’mot [Exodus] 4:21 en 7:3 bij elke plaag het hart van de farao verstokte, als G’d zelf de farao halsstarrig maakte en ervoor zorgde dat de farao hardnekkig weigerde, in hoeverre mogen wij deze houding dan de farao kwalijk nemen? In hoeverre was de weigering om het volk te laten gaan dan zijn eigen besluit? In feite heeft hij toch alleen maar gedaan wat G’d hem liet doen door zijn hart te verharden. Was het dan eerlijk om hem en zijn volk dan zo zwaar daarvoor te straffen? Ik denk dat velen met deze vraag zitten. Daarom stelt ook Sha’ul in vers 19 de vraag waarom G‘d ons dan nog ter verantwoording roept als toch niemand tegen Zijn wil ingaat? Wel, het is echt niet zo dat de farao helemaal geen eigen inbreng had in de weigering om G’ds volk te laten gaan, want daar ging natuurlijk wel het één en ander aan vooraf, namelijk de slavernij! De Eeuwige had best wel veel geduld met deze farao en al zijn voorgangers, 400 jaar lang! En bovendien heeft zijn eerste weigering om het volk te laten gaan zelfs plaats gevonden zonder dat de Eeuwige zijn hart verhardde, want reeds bij de eerste confrontatie met Moshe en Aharon zei de farao met een provocerende ondertoon: “Wie is die Eeuwige? Waarom zou ik naar hem moeten luisteren? Moet ik de Israëlieten laten gaan? Ik ken die Eeuwige niet en ik zal de Israëlieten niet toestaan te vertrekken!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 5:2). Toen was voor Adonai de maat vol! Dit hoefde Hij niet te pikken! Vanaf nu verhardde Hij het hart van de farao, want de weg naar het oordeel is door hemzelf ingeslagen.

 

Vers 20 t/m 23: “Wie bent u eigenlijk dat u, een mens, iets tegen G’d zou inbrengen? Vraagt het aardewerk soms aan de pottenbakker: ‘Waarom hebt u me gemaakt zoals ik eruitzie?’ Heeft de pottenbakker niet de vrijheid om van dezelfde klomp klei zowel een kostbare vaas als een alledaagse pot te maken? G’d heeft degenen die het voorwerp van Zijn toorn zijn en die Hij heeft bestemd voor de ondergang, met veel geduld verdragen omdat Hij Zijn toorn ook wil tonen en Zijn macht kenbaar wil maken. En omdat Hij Zijn overweldigende majesteit wil tonen, heeft Hij degenen die het voorwerp zijn van Zijn barmhartigheid ertoe voorbestemd om in Zijn majesteit te delen.”

 

Diverse teksten in TeNaCH laten ons het werk van de Pottenbakker in Zijn relatie met Zijn volk Israël zien. In vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 18 wordt de profeet in het huis van de pottenbakker door de Eeuwige onderricht aangaande Zijn wonderbaar handelen met Israël en in vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 64:8 lezen wij de belijdenis van het gelovig overblijfsel van Israël: “Wij zijn het leem en Gij zijt onze Formeerder en wij allen zijn het werk van Uw hand.” Maar de Eeuwige is een soevereine G’d die het werk van Zijn handen niet aan mensen hoeft te verantwoorden. Hij claimt geheel rechtmatig de vrije beschikking om zowel voorwerpen tot eervol gebruik alsook voorwerpen tot alledaags gebruik te vervaardigen, en dat niet slechts uit één leemsoort! De Pottenbakker maakt namelijk niet alleen gebruik van “Joods leem”, maar voegt er ook “heidens leem” bij, maakt als een ware een mengsel van beide soorten. Soms wil een voorwerp echter mislukken, niet omdat de Pottenbakker Zijn werk niet goed gedaan heeft, maar ten gevolge van ongehoorzaamheid en zonde. Hij gooit het verdorven leem echter niet weg, maar vermaakt het zodat het alsnog nuttig gebruikt kan worden, zij het als voorwerp des toorns zoals de Farao die in vers 17 genoemd wordt. Maar let op: mensen worden door de Eeuwige nooit voorbeschikt om voorwerpen des toorns te zijn, maar toebereid om alsnog door Hem gebruikt te worden. De voorwerpen van ontferming daarentegen heeft Hij tot heerlijkheid voorbereid, van tevoren in gereedheid gebracht tot het moment dat zij in het volle licht Zijn heerlijkheid zullen mogen weerspiegelen.

 

Vers 24: “Hen heeft hij ook geroepen: ons, die niet alleen uit het Joodse volk afkomstig zijn, maar uit alle volken,”

 

Dit vers is in de NBG-vertaling een stuk duidelijker dan in de nieuwe vertaling. Kijk maar: “en dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen”. Ziet u wat ik bedoel? Hier staat namelijk: “maar OOK uit de heidenen”, en niet slechts: “uit de heidenen”. Het woordje ‘ook’, dat we tevens tegenkomen in Romeinen 2:9 en 10, waarin tot twee keer aan toe geschreven staat: “eerst de Jood en OOK de Griek” geeft dus nadrukkelijk aan dat hier geen sprake is van een vervanging door de heidenen, maar gewoon dat Adonai niet alleen de gelovigen uit de Joden geroepen heeft, maar ook de gelovigen uit de heidenen. De heidenen zijn dus niet in de plaats gekomen van de Joden, maar zijn gewoon toegevoegd.

 

Vers 25 en 26: “zoals ook bij Hoshea [Hosea] staat geschreven: ‘Wat Mijn volk niet was, zal Ik Mijn volk noemen; wie Mijn geliefde niet was, zal Ik Mijn geliefde noemen. En waar tegen hen gezegd is: ‘Jullie zijn Mijn volk niet,’ zullen ze kinderen van de levende G’d worden genoemd.’”

 

Sha’ul laat ons zien dat de profetie van i>vh Hoshea [Hosea] 2:22 en 1:10 een dubbele vervulling geeft. Uiteraard heeft de profeet het hier op de eerste plaats over het toekomstig herstel van Zijn uitverkoren volk Israël, dat door G’d als Zijn eeuwige bruid zal worden verworven. Maar Sha’ul voegt hier echter een nieuwe dimensie aan toe: ook de heidenen ymi=al Lo-Ami [niet-Mijn-volk], “die eertijds zonder G’d in deze wereld verkeerden” (Ef. 2:12), krijgen door het geloof de toegang tot het heil en worden door de Eeuwige toegevoegd aan het gelovige deel van Israël en zo worden beiden samen door Hem ymi Ami [Mijn-volk] genoemd!

 

Vers 27 t/m 29: “En Yeshayahu [Jesaja] roept over Israël uit: ‘Al zou het volk van Israël zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, slechts een klein deel zal worden gered. Want de Eeuwige zal Zijn woord op aarde gestand doen, onvoorwaardelijk en onverkort. En zoals Yeshayahu al heeft gezegd: ‘Had Adonai Tz’vaot [de Heer van de hemelse machten] ons geen nageslacht gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra.’”

 

Zoals uit de aangehaalde citaten uit vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 10:22-23 en 1:9 blijkt, heeft nooit het gehele volk Israël zich van G’d afgewend en is derhalve ook nooit door Hem collectief verworpen, maar is het volk Israël altijd gedragen door een “gelovige rest”. Ongelovige Israëlieten, of zij nou in de meerderheid of in de minderheid waren, werden nog altijd door de Heilige van Israël uit het midden van hun volk verdelgd, maar met de rest ging Hij verder, tot de dag van vandaag! Israël is daarom nog steeds G’ds volk en niet de Kerk uit de heidenen, en toch staat er boven de nu volgende vers 30 in de NBG-vertaling het volgende tussenkopje: “Het behoud der heidenen en de dwaling van Israël.” Hier staat niet: “het behoud van heidenen”, maar “van DE heidenen”, en ook niet “de dwaling van Israëlieten”, maar “van Israël”, dus collectief! Dit is een prachtig voorbeeld van de vervangingstheologie: de heidenen zijn behouden terwijl het hele volk Israël nog steeds dwaalt.

 

Vers 30 t/m 33: “Wat kunnen we hieruit nu opmaken? Hoewel ze er niet naar hebben gestreefd, zijn heidenen als rechtvaardigen aangenomen, op grond van hun geloof. Maar Israël, dat ernaar streefde door de Tora rechtvaardig te worden, heeft dat niet bereikt. Wat is daarvan de oorzaak? Ze handelden alsof het van hun daden afhing, en niet van geloof. Ze zijn over de steen gestruikeld waarover geschreven staat: ‘In Tziyon leg Ik een steen neer waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot. Maar wie in Hem gelooft, komt niet bedrogen uit.’”

 

De Gemeente van het Nieuwe Verbond bestaat uit messiasbelijdende Joden en gelovigen uit de volken, die besneden zijn van hart! Samen vormen wij de Gemeente en dat is nog steeds Israël! Wat nu de Joden betreft, waar Sha’ul het hier over heeft, die de behoudenis verwachten van het nauwkeurig naleven van de Tora, moet ik voor alle duidelijkheid benadrukken, dat hij hiermee niet het hele volk Israël bedoelt, maar slechts het verharde deel van Israël! En dan wel te verstaan slechts de religieuze Joden, want er zijn ook talrijke Joden die helemaal niets geloven, dus ook niet de Tora. Over hen heeft Sha’ul het evenmin als over de heidenen die niet gelovig zijn. Neen, hij heeft het hier over religieuze Joden, die wel in de G’d van Israël geloven en ernaar streven Hem te behagen door zich te houden aan Zijn Tora, maar die Yeshua bewust of onbewust afwijzen! Hoe moeten wij deze Joden dan zien, die de geboden krampachtig en wettisch naleven in de foutieve veronderstelling dat zij daarmee hun behoudenis zelf kunnen bewerkstelligen? Let op: het is inderdaad deze houding die Sha’ul veroordeelt, niet het houden van de Tora! Er zit ogenschijnlijk maar een heel klein verschil tussen deze twee woorden, maar het is wel een essentieel verschil! Sha’ul zegt hier niet dat de Tora iets slechts of verkeerds zou zijn, want in Rom. 7:12 schrijft hij zelf: “Zo is dan de Tora heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.” Wat hij afkeurt is de manier hoe men met de Tora omgaat en door het citeren van vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 8:14 laat hij zien waar het om gaat: het geloof! Ik zal u het lezen van het hele hoofdstuk 10 besparen en wil mij als afsluiting van deze bijbelstudie beperken tot de laatste zes verzen, met daarin enkele citaten uit vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 53:1, ,ylht Tehilim [Psalmen] 19:5, ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 32:21 en vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 65:1-2.

 

Hoofdstuk 10, vers 16 t/m 21: “Toch hebben slechts weinigen aan het evangelie gehoor gegeven, want Yeshayahu [Jesaja] vraagt: ‘Adonai, heeft iemand geloofd wat wij hebben gezegd?’ Dus door te luisteren komt men tot geloof, en wat men hoort is de verkondiging van de Mashiach.” Maar dan is mijn vraag: hebben ze de boodschap soms niet gehoord? Natuurlijk wel, want er staat: ‘Hun roep klinkt over heel de aarde, hun woorden tot de uiteinden van de wereld.’ Maar dan vraag ik weer: heeft Israël de boodschap niet begrepen? Welnu, Moshe zegt al: ‘Ik zal jullie afgunstig maken op een volk dat geen volk is, ik daag jullie uit met een volk zonder verstand.’ En bij Yeshayahu staat zelfs: ‘Ik heb me laten vinden door wie mij niet zochten, ik heb me bekendgemaakt aan wie niet naar mij hebben gevraagd.’ Maar bij Yeshayahu staat over Israël: ‘Heel de dag heb ik mijn handen uitgestrekt naar mijn ongehoorzaam en opstandig volk.’”

 

Het is met name het laatste zinnetje van hoofdstuk 10 dat de vervangingsleer door de eeuwen heen gevoed heeft en in een boekje van het Internationaal Zendingsgenootschap der Z.D.A.-reformatie uit 1946 kwam ik de volgende passages tegen: “De Israëlieten waren vanaf den beginne van hun bestaan als natie een onhandelbaar, ongehoorzaam en wederspannig volk. Alleen de grote genade en goedertierenheid en geduld des Heren waren het, die hen zo lange tijd als volk lieten bestaan, maar het meest, omdat de volheid des tijds eerst van G’d kon geopenbaard worden. Ook aan het geduld van G’d komt eenmaal een einde. De Joden als natuurlijke nakomelingen van de vaderen der beloften zijn in hun roeping niet getrouw geweest en werden door de Here als uitverkoren volk verworpen. Israël als natie was wel door G’d uitgeschakeld, de takken waren door ongeloof afgebroken, maar dat beduidde niet het einde van G’ds volk. De Here zette Zijn werk voort, ook al moest een geheel volk worden terzijde gesteld in Zijn plan. De Here roept een volk uit alle natiën en talen en neemt het aan als Zijn volk. Ieder die Christus aanneemt en in Hem gedoopt, wordt daardoor opgenomen in het nieuwe Verbond, het ware Israël!” Tot zover. Komen deze woorden u bekend voor? Vele eeuwen is deze leer in bijna alle kerkgenootschappen verkondigd en ook vandaag de dag wordt nog steeds de houding van velen tegenover het Joodse volk en de staat Israël mede bepaald door de vervangingsleer. Weet u, als hoofdstuk 10 het laatste hoofdstuk van de Romeinenbrief zou zijn, dán is de vervangingstheologie de juiste conclusie. Maar gelukkig hield Sha’ul niet op met hoofdstuk 10, want in hoofdstuk 11 vers 1a gaat hij verder met de volgende woorden: “Dan is nu mijn vraag: heeft G’d Zijn volk soms verstoten? Beslist niet!” In het Hebreeuws roept hij uit: Chalila! In de NBG-vertaling staat: Volstrekt niet! In de Willibrord-vertaling staat: Helemaal niet! En in de Groot Nieuws Bijbel staat: Geen sprake van! Kan het duidelijker? Sha‘ul gaat verder: “Ik ben immers zelf een Israëliet, een nakomeling van Av’raham, afkomstig uit de stam Bin’yamin. G’d heeft Zijn volk, dat Hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet verstoten. Of weet u niet wat de Schrift over Eliyahu zegt, hoe hij Israël bij G’d aanklaagt? ‘Adonai, Uw profeten hebben ze gedood, Uw altaren verwoest. Ik ben als enige overgebleven, en nu hebben ze het ook op mijn leven voorzien.’ Maar hoe luidt het antwoord van G’d aan hem? ‘Ik heb zevenduizend mensen voor Mijzelf in leven gelaten; die hebben niet voor Baäl geknield.’ Zo is ook nu een klein deel over dat G’d uit genade uitgekozen heeft!” (vers 1b t/m 5). Dat een groot deel van de Israëlieten ongelovig en ongehoorzaam was en feitelijk nog steeds is wil nog niet zeggen dat de Eeuwige hen daarom als volk verstoten zou hebben, want de gelovige rest van Israël is en blijft G’ds volk en daarom mag de kerk uit de heidenen zich deze titel beslist niet zelf toe-eigenen, want over Israël staat geschreven: “Want de Eeuwige zal Zijn volk niet verstoten, om der wille van Zijn grote naam. De Eeuwige heeft immers verkozen u tot Zijn volk te maken!” a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 12:22, NBG-vertaling) en in vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 66:22 staat geschreven: “Want zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen blijven bestaan, luidt het woord van Adonai, zo zal uw nageslacht en uw naam blijven bestaan!” - “Heeft G’d Zijn volk verstoten? Volstrekt niet!” Amen!

 

Werner Stauder